Het tijdperk van de Moren

February 25, 2018


Moorse veroveringen

 

Mohammed, geboren in 570, legde de grondslag voor een religieus imperium dat al rond 650 Saudi-Arabië, Syrië, Palestina, Irak en Egypte omvatte en waarvan Mekka het centrum vormde. Dat betekende een verschuiving van de machtsverhoudingen die tot dan toe vooral door de Byzantijnse en Perzische rijken werden bepaald. In 661 werd de dynastie van de Omajjaden gevestigd in Damascus. De Omajjaden, naar zeggen afstammelingen van Abraham, vormden een belangrijke clan in Mekka en bekeerden zich in het begin van de achtste eeuw tot de Islam. Deze dynastie zou regeren tot 750 en wist niet alleen in oostelijke, maar ook in westelijke richting het islamitische rijk enorm uit te breiden. Al in 708 waren de zuidelijke kuststreken van de Middellandse zee veroverd en werd de blik gericht op het Iberisch schiereiland.

 

 

 

Hoe de verovering van Spanje door de Arabieren precies begon is onduidelijk, maar waarschijnlijk werd het de Moren gemakkelijk gemaakt door een verzoek van één van de Visigotische troonpretendenten hem te helpen bij het verslaan van zijn tegenstander. In 710 stak op bevel van de heerser over Noord-Afrika, Musa Ibn Nusair, een leger van 9.000 Berbers onder aanvoering van zijn plaatsvervanger Tariq Ibn Ziyad, de straat van Gibraltar over en begon aan een veroveringstocht die in slechts veertien jaar vrijwel het gehele Iberisch schiereiland onder Moors bewind zou brengen. De Romeinen hadden voor de verovering van Spanje tweehonderd jaar nodig, maar die hadden in tegenstelling tot de Moren geen helder veroveringsplan. Overigens is deze snelle verovering geen uitzondering, integendeel, zij was traag vergeleken bij die van bijvoorbeeld Egypte (vijf jaar), Libië (één jaar) of Perzië (acht jaar). Deze relatieve traagheid is te wijten aan de lange verbindingslijnen en het ruige landschap. Tariq, zo verhalen de Arabische kronieken, zou, nadat hij geland was op de rots die zijn naam draagt (Chabal Tariq ofwel Gibraltar), zijn schepen hebben laten verbranden en zijn manschappen hebben voorgehouden dat er maar één uitweg was: die van de overwinning ('Waarheen kunnen jullie vluchten? Vóór jullie is de vijand en achter je de zee').

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een beslissende veldslag vond plaats bij de rivier de Guadelete, waar Roderick, de laatste Visigotische koning, die overhaast was teruggekeerd uit het noorden waar hij de opstandige Basken had aangepakt, een verpletterende nederlaag werd toegebracht door Tariq. Roderick beschikte weliswaar over veel meer manschappen, maar de Moren waren door hun lichte uitrusting erg wendbaar en naar zeggen verliet een groot aantal muiters het Visigotische leger toen het erop aan kwam. Roderick liet het leven en het verlies van deze veldslag markeert het einde van het Visigotische tijdperk in Spanje. Tariq rukte snel op naar het noorden en veroverde nog in hetzelfde jaar moeiteloos de hoofdstad Toledo die, afgezien van de joden door vrijwel alle inwoners verlaten was. Daarna trok hij nog verder noordelijk, de veroverde gebieden achterlatend onder beheer van inlanders en met name van joden die zwaar te lijden hadden gehad onder de Visigotische vervolgingen en de Islamieten als bevrijders inhaalden.

Het succes van Tariq wekte de jaloezie van zijn heer, Musa Ibn Nusair, die in zijn glorie wilde delen, met een leger van 18.000 man in 712 de oversteek waagde en begon aan een veldtocht die leidde via Algeciras in noordelijke richting naar Sevilla en Mérida. De legers van Musa en Tariq verenigden zich bij Toledo om vervolgens Salamanca in te nemen. In de loop van 713 volgden de noordelijker gelegen steden Zaragoza, Lérida en Barcelona, waarna de Moren de Pyreneeën overstaken. Ter hoogte van Avignon en Lyon ontmoetten zij stevige tegenstand waarna zij zich richtten op het noordwesten van het schiereiland. Musa en Tariq waren erin geslaagd om een enorm gebied toe te voegen aan het rijk van de Omajjaden. Het Iberisch schiereiland werd een provincie van het Moorse imperium onder de naam van al-Andalus.

 

 

 

 

Nadat Musa en Tariq door de Kalief waren teruggeroepen naar Damascus (hun vergaande ambities werden in de hoofdstad van het imperium met argusogen bekeken), zette de zoon van Musa, Abd-al-Aziz de veroveringen door, onder meer van wat later Portugal zou heten en consolideerde hij de macht. Hij introduceerde administratieve en financiële regels, sloeg een brug tussen rivaliserende Arabieren en Berberstammen en bevorderde het huwelijk tussen de overwinnaars en christelijke inheemse inwoners.

 

 

 

Ten tijde van Musa's overlijden, verkeerde het centrale gezag in Damascus in een crisis en het bewind van de Omajjaden slaagde er niet in greep te houden op het verre Spanje. Van 716 tot 756 streden de lokale Moorse leiders om de macht en verzwakte niet alleen het gezag over het schiereiland, maar boette ook de militaire macht aan kracht in. Dat laatste leidde er wellicht toe dat in 721 de Moren werden verslagen in de slag van Covadonga. Deze veldslag vond zijn oorzaak in een opstand van de christelijke Asturiaanse elite onder leiding van de Visigoot Pelayo tegen de Moorse heerser van Noord- Spanje, Munuza. Zij erkenden zijn gezag niet en weigerden belasting te betalen. Deze eerste overwinning van Christenen op de Moren wordt in de Arabische geschiedschrijving afgedaan als een enkele schermutseling, maar neemt in de christelijke kronieken de vorm aan van een strijd tussen David en Goliath waarbij een handjevol strijders (300 man) van Pelayo een leger van 180.000 Moren weet te verslaan. Waarschijnlijk een honderdvoudige overdrijving. De Moren zagen ervan af om de opstandelingen te onderwerpen en trokken zich terug uit dit onherbergzame gebied, waarin zij niet erg geïnteresseerd waren. Pelayo werd uitgeroepen tot koning van Asturië en wordt wel beschouwd als de eerste Reconquistador. Een overdrijving. Met de term reconquista wordt de herovering van Spanje door de christenen van Spanje op de Moren aangeduid, maar dat besef leefde natuurlijk nog niet bij Pelayo. Nog meer tegenslagen voor de Moren waren de nederlagen tegen de Franken in de veldslagen bij Toulouse (721) en in de beroemde slag bij Poitiers in 732, waar Karel Martel het Arabische leger vernietigde.

 

 

 

 

En ook hier weer een enorm verschil tussen verslaglegging van christelijke en Arabische geschiedschrijvers. Werd door de christelijke chroniqueurs de slag bij Poitiers beschouwd als een van de belangrijkste veldslagen uit de historie, de Arabieren maken slechts melding van het feit dat de instabiele situatie op het schiereiland noopte tot terugtrekking. Die instabiliteit werd veroorzaakt door voortdurende interne strijd tussen Arabieren en Berbers. De Berbers, geharde strijders die de kern uitmaakten van de Arabische veroveringsmacht, moesten met lede ogen aanzien dat de Arabische elite zich meester maakte van de beste en vruchtbaarste gebieden, terwijl aan hun gerechtvaardigde wensen werd voorbijgegaan. Natuurlijk is de nederlaag van de Moren bij Poitiers voor de Moren een ernstige tegenslag geweest, maar het heeft hen er niet van weerhouden om ook daarna de Franken aan te vallen op eigen bodem om al-Andalus uit te breiden. Pogingen die uiteindelijk strandden omdat het uitvechten van interne twisten teveel energie kostte. De redding van het christendom is dus niet het directe gevolg van de zege van Karel Martel, maar is veeleer toe te schrijven aan de problemen die de opstandige Berbers veroorzaakten. Uiteindelijk werden de interne conflicten beslecht door Abd al Rahman I die in 755 op het Iberisch schiereiland aankwam.

 

 

Emiraat van Córdoba

 

In 756 wist Abd al-Rahman I op de leeftijd van zesentwintig jaar Córdoba te veroveren op de Abassiden die in 750 een einde maakten aan de dynastie van de Omajjaden en vanaf dat moment vanuit Bagdad het islamitische imperium bestuurden. Abd al-Rahman I, uit het geslacht van de Omajjaden en op de vlucht voor de Abassiden, riep al-Andalus uit tot zelfstandig emiraat, waarmee hij zich politiek en administratief losmaakte van het kalifaat van Bagdad, maar wel haar religieuze gezag bleef erkennen. Hij zou in totaal tweeëndertig jaar aan de macht blijven. Met de verovering van Córdoba was de strijd nog lang niet gestreden. De verslagen emir Yusuf al-Fihri - tot dan toe heerser over het emiraat - probeerde Córdoba in 760 te heroveren, maar werd letterlijk een kopje kleiner gemaakt.

 

In de jaren zestig en zeventig van de achtste eeuw braken voortdurend opstanden uit en tegelijkertijd had Abd al-RahmanI te maken met de vanuit het noorden opdringende christelijke legers. Aan de andere kant van de Pyreneeën had Karel de Grote een machtig rijk opgebouwd en hij zou diplomatieke betrekkingen hebben onderhouden met het Abassidische hof in Bagdad. Karel werd gevraagd om de opstandelingen te ondersteunen en in 774 trok hij de bergen over met als doel Córdoba te heroveren. Hij wist Pamplona in te nemen, maar pogingen om dat succes te herhalen bij Zaragoza leden schipbreuk. Gedwongen om terug te keren naar zijn land, werd hij op zijn terugtocht in de rug aangevallen bij Roncevalles door de Basken. Zijn leger werd gedecimeerd. Een van de gevallenen was ridder Roeland, waarover het befaamde Roelandslied is geschreven.

 

 

 

Abd al-Rahman I ontpopte zich als een gematigd en grootmoedig heerser waarmee hij bij vriend en vijand respect afdwong. Een kundig staatsman die voorkwam dat het islamitische al- Andalus uiteenviel. Hij benoemde competente heersers in de diverse provincies van het emiraat, omringde zich met goede adviseurs en onderhield een omvangrijk leger dat vooral bemand was door Berbers. Uit eerbied voor islamitische tradities en ook om politieke complicaties te voorkomen waagde hij het niet zich de titel van kalief aan te meten. Onder zijn bewind kwam Córdoba tot bloei en werd het opgesierd met prachtige tuinen en gebouwen. Volgens een oude legende zijn alle palmen op het Iberisch schiereiland afkomstig van de ene en eerste palm die Abd al-Rahman I in zijn tuin liet planten. Hoogtepunt was ongetwijfeld het in aanbouw nemen van de bouw van de Mezquita de Córdoba, waarvoor een Visigotische basiliek werd afgebroken.

 

Met toestemming overigens van de tot de islam bekeerde christenen die eigenaar waren van deze basiliek. Of de typische structuur van de moskee - het bos van pilaren - moet worden toegeschreven aan de architecten die voor Abd al-Rahman I werkten of al bestonden in de Visigotische basiliek is niet zeker, maar feit is wel dat de moskee niet zoals gebruikelijk op Mekka is georiënteerd, maar op het zuiden. Een teken van macht van de emir?

 

De opvolging van Abd al-Rahman I verliep niet rimpelloos. Drie van zijn zonen streden om de macht en uiteindelijk was het Hisham I die na een jaar van strijd in de voetsporen van zijn vader trad ten koste van de andere twee, Abd Allah en Suleyman. Hisham I regeerde van 789 tot 796 en hij was het die het Malikisme introduceerde, een rechtssysteem genoemd naar de imam die het ontwikkelde: Malik Ibn Anas uit Medina. Dit systeem onderscheidde zich van andere rechtssystemen doordat het zich tot op zekere hoogte aanpaste aan lokale zeden en gewoonten. Hisham I zette de bouw van de moskee voort en onder zijn bewind werd ook de grote brug gebouwd. Hisham werd ervan beschuldigd deze brug uitsluitend voor eigen plezier en jachtpartijen te gebruiken...

 

 

 

De zoon van Hisham I, Al-Hakam, regeerde aanzienlijk langer, van 796 tot 822 en kon zich verheugen in een rustige periode totdat in 817 in Córdoba een opstand uitbrak: la rebelión de arrabal (rebellie van de sloppenwijk), wellicht aangezet door rechtsgeleerden die in de ogen van de heerser zich teveel macht toe-eigenden. Nadat tweeënzeventig van hen waren gekruisigd en een soldaat van de wacht van de emir een kind had gedood, sloeg de vlam in de pan en brak in 820 een ware oorlog uit. Met vreselijke gevolgen. Al-Hakam gaf opdracht een deel van de arrabal in de as te leggen en dat werkte. Vele opstandelingen vluchtten maar werden achtervolgd en meedogenloos afgeslacht. Er kwamen tienduizend mensen om en driehonderd overlevenden werden gekruisigd.

 

De dag daarop werd opdracht gegeven de gehele arrabal met de grond gelijk te maken en de overgebleven inwoners te verbannen naar Noord-Afrika. Al-Hakam overleed in 822 en het was zijn zoon en opvolger Abd al-Rahman II die wist te voorkomen dat een burgeroorlog in geheel al-Andalus uitbrak. Onder zijn bewind, dat tot 852 zou duren, werd het bestuur naar moderne, Abassidische snit hervormd en het culturele leven in Córdoba bloeide als nooit tevoren. Deze heerser dwong bewondering en respect af van de Byzantijnen en van de Noord-Afrikaanse staten.

 

Na 852 wisten de opvolgers van Abd al-Rahman II het land niet meer onder controle te houden. Opstanden braken uit en het was met name de legendarische Omar Ben Hafsun, de zoon van een maladí, d.w.z. een tot de islam bekeerde christen, die zich van 880 tot 912 succesvol verzette tegen het centrale gezag. Hij wist een groot deel van al-Andalus onder controle te krijgen en vormde een regelrechte bedreiging voor de heersers in de hoofdstad Córdoba. In 899 bekeerde Hafsun zich zelfs tot het christendom, waarmee hij veel aanhangers onder de islamieten verloor, maar er christelijke volgelingen mee terugwon. Pas in 912, toen Abd al-Rahman III heerser werd over het emiraat, keerde het tij. De zoon van de in 917 overleden Hafsun, Suleyman zette de strijd voort vanuit de vesting Bobastro, maar in 928 maakte de emir er een eind aan.